Wittgenstein in Noorwegen

‘Nergens anders had ik zó kunnen werken,’ schreef de filosoof Wittgenstein over Noorwegen. Enkele Noorse kunstenaars vinden dat het land daar wel wat meer erkenning voor mag krijgen.

Twee kunstenaars organiseerden een ‘artistieke reis’ naar het huisje dat Wittgenstein deels eigenhandig bouwde. Tenminste, wat er van het huisje over is. In een filmpje over de reis is te zien dat alleen het stenen fundament nog overeind staat.
Wittgenstein vertrok voor het eerst naar Noorwegen toen hij 24 was. De jonge filosoof wilde de drukte van Cambridge ontvluchten, staat in de bekende biografie The Duty of Genius van Ray Monk.
Wittgenstein ergerde zich in Cambridge vooral aan ‘de mensen’. In een brief aan zijn vriend David Pinsent vertelt hij dat hij zichzelf voortdurend betrapte op ‘gevoelens van afkeer’.
In Noorwegen belandde Wittgenstein bij Skjolden, een afgelegen plaatsje aan een fjord in het zuidelijke deel van Noorwegen. Hier stortte hij zich op logisch-filosofische vraagstukken.
Het huisje noemde hij ‘Klein Oostenrijk’, naar zijn geboorteland. Met een bootje roeide hij ernaartoe, dan volgde een stevige klim. Toch was hij niet helemaal alleen: hij maakte enkele vrienden in het dorp en binnen enkele maanden kon Wittgenstein zelfs een aardig woordje Noors.

wittgenstein-comp

Toen hij in de zomer van 1914 zijn ‘schuilplaats’ verliet, nam hij zich voor het volgende jaar terug te keren. Dat lukte niet. De Eerste Wereldooorlog brak uit en Wittgenstein kwam klem te zitten in Oostenrijk. Pas in 1921 zette hij weer voet op Noorse bodem.
‘Sommige mensen hebben niet alleen psychische, maar ook fysieke ruimte nodig om na te kunnen denken,’ zegt een deelnemer in het filmpje van de kunstenaars. Op zo veel begrip kon Wittgenstein helaas niet rekenen. Zo zei zijn vriend en leermeester Bertrand Russell dat de Noorse winters maar lang en donker waren. Wittgenstein reageerde toen dat hij toch niet van daglicht hield.

Perfectionist
Wittgenstein was geen makkelijke schrijver: hij zou en moest zijn filosofische gedachten compleet helder hebben vóór hij ze op papier zette. Die houding werkte verlammend.
Over de eerste tijd in Noorwegen schreef hij: ‘Ik wenste dat ik intelligenter was en alles me eindelijk eens duidelijk zou worden. Wat had het anders voor zin om te leven?’ En op een ander, later moment: ‘Er waren dagen dat ik gekweld werd door afwisselend een vreselijke Angst en depressies. Tussendoor was ik zo uitgeput dat ik geen werk meer kon verzetten.’
Toch leek hij rust te vinden. De ‘stille ernst’ van de Noorse omgeving bracht hem tot concentratie, schreef hij in 1936 aan de Britse filosoof George Moore. En uiteindelijk wist hij in Noorwegen grote stappen te maken voor zijn twee hoofdwerken, Tractatus Logico-Philosophicus en Filosofische onderzoekingen.

Door Winnifred Jelier