Een bescheiden buurman

Meesterpianist Leif Ove Andsnes vertelt in zijn woonplaats Bergen in Noorwegen over zijn werk. ‘Een misvatting over klassieke musici is dat ze niet creatief zouden zijn.

Leif Ove Andsnes eet een gele pruim. Nog geen minuut eerder speelde hij een riedeltje op de Steinway in de bijkeuken. Los van die vleugel is er niets dat erop wijst dat ik me hier in het huis van een meesterpianist bevindt. Behalve misschien de stilte; hier geen loeiende iPod in de hoek.
Via foto’s op internet weet ik dat de zolder waar Andsnes repeteert, niet veel verschilt van hier. Ook daar staat een vleugel. Maar verder vooral dozen met speelgoed, poppen en houten racebanen. Op een bankje in de woonkamer ligt een berg knuffels. Stapeltjes luiers in de vensterbank. In dit huis in Bergen, Noorwegen, woont vooral een jong gezin.
De pruim is op. Twee, drie happen. Meer was het niet. Opgewekte ogen kijken me aan.

Een soort buurman
Het is verraderlijk makkelijk om te denken dat deze man een buurman had kunnen zijn, iemand die op zondag de heg bijknipt. Maar Andsnes heeft in zijn weekenden wel wat anders te doen. Zoals repeteren en optreden. Hij heeft zo’n zeventig pianoconcerten per jaar. Wereldwijd.
Hij ‘brak door’ in 1990 met een tournee in de Verenigde Staten. Hij was toen twintig jaar. Hij groeide op in een familie van muziekliefhebbers, met muziekleraren als ouders en enthousiaste amateurmusici als grootouders. Zijn ouders speelde pianostukken van Debussy en Grieg (moeder) en Chopin en Beethoven (vader). Ze maakten bewust een grote wending in de Noorse samenleving mee: door de vondst van olie eind jaren zestig nam de welvaart in rap tempo toe. Voorzieningen werden verbeterd: er kwamen meer wegen, betere ziekenhuizen, grotere woonhuizen. Op het eiland Karmøy, waar het gezin woonde, kwam een muziekschool.

Internationaal succes
Op zijn vierde klom Andsnes op een pianokruk. Het duurde niet lang of hij deed mee aan nationale en internationale pianoconcoursen voor kinderen. Toen hij twaalf was zei hij tegen een lokale krant dat hij hoopte dat hij later iets met muziek kon doen. Op zijn zestiende ging hij naar het conservatorium in Bergen.
Wat volgde, was een bliksemcarrière. Op zijn achttiende streed Andsnes met een pianostuk van Prokofjev om de eerste plaats in een pianoconcours in het Concertgebouw in Amsterdam. Kort daarna trad hij als jongste Griegsolist op in Bergen. Hij had soloconcerten in Kopenhagen, Stockholm, Edinburgh en New York. Op zijn twintigste had hij een platencontract bij Virgin Classics. Andsnes heeft inmiddels zes Gramophone Awards gewonnen, werd voor acht Grammy’s genomineerd en is in 2007 geridderd.

U heeft inmiddels een geweldig repertoire opgebouwd, met stukken van tal van componisten, van Mozart, Brahms en Liszt tot Sjostakovitsj en Britten. Vorig jaar sloot u een vierjarig Beethoventoernee af, waarbij u zelf ook dirigeerde. Dat u ooit begon met het werk van Grieg, zou je bijna vergeten. Is Grieg nog wel steeds een inspiratiebron?

‘Ja, absoluut! Maar het is niet iemand aan wie ik nog elke dag denk. Zijn muziek is voor mij nog altijd een groot genot. Alhoewel… niet alle stukken. Sommige stukken heb ik te vaak gehoord (lacht). Maar soms weet hij me nog te raken. Grieg is geen Bach of Beethoven, hij is geen componist bij wie ik het gevoel heb dat ik er dag en nacht mee kan werken, op wie ik nooit uitgekeken raak. Daarvoor heeft zijn muziek te weinig lagen.’

In het Britse tijdschrift Gramophone schreef u laatst dat orkestleden het soms moeilijk vinden om het bekende pianoconcert van Grieg, Opus 16, nog serieus te nemen.

‘Het is zo ontzettende beroemd.’

U schreef dat ze de plicht hebben om dit toch te doen.

‘Plicht klinkt misschien negatief, maar ik vind inderdaad dat je moet spelen met passie, ook als het een overbekend stuk is. Je moet het spelen alsof het nieuw is, het fris benaderen. En dat kan ontzettend moeilijk zijn als er al miljoenen interpretaties en allerlei opnames van bestaan.

Die opnames zitten in de weg?

‘Ja, als ik een stuk bestudeer, luister ik dan ook nergens naar. Pas later, als ik mijn eigen mening heb gevormd, mijn eigen ingang tot een stuk heb gevonden, pas dan luister ik dan naar andere opnames. Misschien kunnen ze me dan nog inspireren, een nieuw idee geven. Maar niet eerder.’

U schreef ook dat klassieke musici zich moeten proberen voor te stellen hoe de componist het stuk bedoelde. Maar kun je eigenlijk wel ‘trouw’ zijn aan de intentie van een componist?

‘Ja. Dat betekent niet dat je met de bladmuziek academisch om moet gaan, maar dat je op zoek gaat naar de emotionele diversiteit achter een stuk. Het gaat erom om die te onthullen. En als je dat kunt, als je op dat punt komt, dan denk ik dat je trouw bent aan de intentie van de componist. Dat is dus wat anders dan alleen maar de noten op het papier spelen.’

Hoe verhoudt zich dat tot de klassieke pianist als ‘creator’, iemand die een eigen interpretatie van een muziekstuk geeft?

‘Klassieke musici kijken natuurlijk naar de noten op het papier, maar de muziek komt pas tot leven als er geluid is en het geluid maakt de musicus. Die moet bepalen hoe snel of langzaam hij speelt, hoe lang hij een stilte laat duren. Een misverstand over klassieke musici is dat ze niet creatief zijn. Jazzmusici zouden wel creatief zijn, maar ze improviseren binnen een structuur en hebben minder vrijheid dan veel mensen denken.
Als ik speel, moet ik voortdurend keuzes maken. Het is eigenlijk ontzettend vermoeiend (lacht). Een groot deel van die keuzes maak ik tijdens de voorbereiding. Maar ook tijdens het concert moet ik weer keuzes maken, besluiten nemen ‘in het moment’. Dat is het fantastische van muziek, dat het nú is.
Wanneer ik het gevoel heb dat ik me goed heb voorbereid, een goede piano en een goede dag heb, en mij ‘in contact voel’ met de toetsen, mijn techniek, mijn hele wezen, dan heb ik soms een enorme vrijheid op het podium en stroomt de muziek gewoon door me heen. Dat klinkt alsof het een religieuze ervaring is. Dat is het niet voor mij, maar het is wel een geweldig gevoel van vrijheid. Ik kan het nergens mee vergelijken.’

andsnes 1

Heeft u dat gevoel altijd gehad?

‘In elk optreden zit enorm veel energie. En als ik goed speel, voel ik die energie. En als het meezit, voelt het publiek dat ook.
Als ik speel, doe ik zo veel dingen tegelijkertijd. Veel gaat automatisch. Dat kun je iets bovennatuurlijks noemen. Dat is iets wat je ontwikkelt door veel te oefenen en je goed voor te bereiden.
Soms zitten kleine dingen me in de weg. Dan ben ik afgeleid. Ik ga dan zweten. Zweetdruppeltjes op mijn vingertoppen. Ik probeer me dan te herstellen, speel wat langzamer en neem wat minder risico’s. Soms leg ik hier en daar wat meer nadruk of haal ik een paar keer diep adem. Zo probeer ik dan weer controle te krijgen.
En dan, op andere momenten, gaat het juist weer uitstekend. Dan kan ik doen wat ik wil.’

Hoe herkent u een goede klassieke pianist?

‘Goede pianisten beschikken over een combinatie van kwaliteiten. Ze zijn natuurlijk technisch sterk, hebben een grote muziekkennis, weten wat muziek waardevol maakt en hebben een idee van wat voor geluid ze willen maken met hun instrument.
Ik zit weleens in jury’s van pianoconcoursen en heb veel pianisten horen spelen, maar slechts bij een paar mensen komen al die kwaliteiten samen. Zo iemand weet iets over te brengen, heeft een eigen ‘persoonlijkheid’.
Spelen is voor veel pianisten heel frustrerend: ze hebben een idee van wat ze over willen brengen, iets wat ze graag willen spelen, maar dat lukt maar niet. Het lukt ze niet om dat wat ze binnenin zich hebben naar buiten te brengen.
Er zijn eigenlijk maar heel weinig pianisten die uiteindelijk tevreden zijn over wat ze spelen. Aan de andere kant zijn er ook genoeg die veel te snel tevreden zijn (lacht).’

Maakt het uit wat voor ‘persoonlijkheid’ een pianist heeft?

‘De mensheid is een dierentuin: iedereen heeft verschillende persoonlijkheden en talenten. Maar als je erin slaagt om anderen naar je te laten luisteren, dan heb je de persoonlijkheid die ik bedoel. Of het nu een zachte of explosieve persoonlijkheid is, of iemand een aandachttrekker is of zich juist nederig opstelt. Het gaat erom dat je tegen verschillende soorten publiek kunt spreken. Een pianist met eigen persoonlijkheid is iemand die je doet luisteren. Iemand die iets te zeggen heeft.
De laatste jaren is er meer focus komen te liggen op pianisten die extreem spelen, hard en explosief. Zelf houd ik erg van kamerconcerten. Daar voel je die sensatiezucht veel minder. De musici zijn er echt voor de muziek. Tegelijkertijd ben ik blij dat klassieke pianisten steeds beter een breder publiek weten te bereiken.
Wat misschien meespeelt, is dat het voor jonge pianisten moeilijker is geworden om door te breken. Dat was al moeilijk, maar nu nog meer. Er zijn veel jonge pianisten met de capaciteiten voor een internationale carrière, maar de vraag is of er publiek, een markt, voor is.’

Wat vindt u van de bezoekers van uw concerten? Luistert het publiek wel goed genoeg?

‘(Lacht) Ik kan soms merken of ik een aandachtig publiek heb. Het is een ander soort stilte. Maar ik ben me niet altijd bewust van mijn publiek. Als ik met een orkest speel, heb ik zo veel geluid rondom mij en hoor ik niet hoe het publiek reageert.
Mensen komen op hele verschillende manieren naar klassieke concerten. Sommigen komen om te ontspannen, een fijn moment om te relaxen na het werk. Muziek kan die uitwerking hebben.
Maar als je de smaak te pakken krijgt en de verschillende betekenislagen van muziek ontdekt, dan hoor je ook de rijkdom van muziek. En dan is het luisteren ineens niet zo ontspannend meer.
Voor mij is muziek luisteren sowieso nooit ontspannend. Ik zet ook nooit zomaar muziek op. Want als er muziek klinkt, dan móet ik luisteren, dan ga ik me afvragen wat er gebeurt.
Het goede aan veel klassieke muziek is dat je er niet veel van hoeft te weten om het te kunnen waarderen. Wel moet je er een smaak voor ontwikkelen. Het is net als met bijzonder eten of wijn. Als je iets voor het eerst proeft, is het raar, maar gaandeweg kun je het meer gaan waarderen en vind je iets misschien wel fantastisch. Dan ga je het grotere plaatje zien. Hetzelfde geldt voor klassieke muziek.’

Hoe kan iemand een betere luisteraar worden?

‘Luister zonder vooroordelen en probeer echt te luisteren naar wat je hoort. Hoe vaker je naar klassieke muziek luistert, hoe beter je erin wordt, hoe meer je hoort. Maar het kan ook een hele intuïtieve, zelfs fysieke ervaring zijn. Je weet nooit wat je raakt.’

U treedt wereldwijd op. Wat is voor u het ideale concert?

‘Dat is met een goede piano, maar ook met een goede pianotechnicus, degene die het instrument in orde maakt. Ook is de zaal belangrijk, de een is wat beter dan de ander. En soms maakt het publiek een verschil.
Maar ook als aan deze en andere voorwaarden wordt voldoen, weet je nooit zeker of een optreden gaat lukken. Soms lukt het, soms niet. Vorige week had ik nog een matineeconcert in Barcelona. Ik had vreselijk geslapen en zag het somber in voor het optreden, maar het ging juist heel goed! Ik weet nog steeds niet hoe dat kwam.’

Door Winnifred Jelier

Verschenen in Muze/Pianowereld, voorjaar 2017

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s